Overeenkomsten hoogbegaafdheid en verstandelijke beperking

Op het moment dat ik ontdekte hoogbegaafd te zijn, werkte ik op een school met ernstig verstandelijk en visueel beperkte leerlingen. Afgezien van het verschil in IQ (dat zo groot was dat er een gemiddeld IQ tussen paste), zag ik òòk overeenkomsten. De gevoeligheid voor prikkels uit de omgeving zag ik in ons allebei terug. Op onze school werken we nauw samen met onder andere ergotherapeuten. Samen maken we per leerling een lesrooster, die voor zijn specifieke prikkelgevoeligheid de meest optimale balans heeft tussen leren en ontladen. Zo worden alle lessen afgewisseld met een ontspannende activiteit, zoals bijvoorbeeld schommelen of muziek luisteren. Helaas is deze gevoeligheid onder hoogbegaafden wat minder geaccepteerd in de zin dat het rooster niet standaard op de gevoeligheid van de individuele leerling opgesteld is.

Maar er zijn meer overeenkomsten. Gekeken naar IQ, uitgezet tegen de hoeveelheid mensen (de Bell curve), zijn er aan beide uiteindes (de hoge en lage IQ’s) minder mensen die dit IQ bezitten, maar zijn de variaties tussen de mensen onderling groter. De grootste groep mensen, die “in de buik van de grafiek zitten”, heeft eigenlijk best wel moeite met die groepen aan de uiteindes. Die wijken zozeer af, dat het eigenlijk misschien makkelijker is “om ze maar gewoon te laten”. (Je zou kunnen zeggen dat beide groepen verstandelijk gehandicapt zijn). Voor HB’ers zijn er ondertussen scholen (waarbij men zich afvroeg waar dat eigenlijk voor nodig was, want deze slimmeriken zouden toch tienen moeten halen in het regulier onderwijs?), maar voor mensen met een ernstige verstandelijke beperking is er eigenlijk voornamelijk dagbesteding. Dat wij een school voor deze doelgroep runnen is uitzonderlijk. Gelukkig is de schoolinspectie het met ons eens dat ieder kind recht heeft op onderwijs en dat zo lang er gesproken kan worden van ontwikkeling, een kind ook echt op een school thuis hoort. Ook al is dit leren communiceren, om door middel van een klank aan te kunnen geven dat je ergens hulp bij nodig hebt.

Vanuit de omgeving naar beide groepen gekeken, is in beide groepen gedrag te zien dat omschreven kan worden als afwijkend sociaal gedrag (soms zelfs geclassificeerd als autistiform). De sociale regels, die non-verbaal vastgesteld zijn, zijn lastiger voor mensen die verder van “de grootste groep mensen” af staan. De grootste groep denkt ongeveer hetzelfde, heeft ongeveer dezelfde normen en omgangregels; maar voor mensen die anders denken en de omgeving anders ervaren, zijn deze regels niet vanzelfsprekend. Waardoor beide groepen anders reageren in sociale situaties. Mensen met een verstandelijke beperking reageren naar hun impulsen, soms haast dierlijk. Onder HB’ers zie je eerder dat ze sociale situaties zo bestuderen en handelen naar “wat normaal zou moeten zijn”, waardoor het gedrag gemaakt lijkt. De gevoeligheid voor prikkels uit de omgeving is trouwens ook vaak bij mensen met autisme spectrum stoornis terug te zien.
In een groep, bezien vanuit de persoon zelf, zijn mensen met een verstandelijke beperking zichzelf (daar ze zich niet op kunnen trekken naar de norm), terwijl HB’ers hun best doen om zich aan te passen aan de norm, waardoor hun behoefte eerder ligt op teruggang naar zich zelf.